CONSULTATIEREACTIE
Zevenaar, 3 april 2026
Betreft: reactie op Conceptregeling wijziging Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 en Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990
1. INLEIDING
Ondergetekende maakt bezwaar tegen de voorgenomen aanpassing van de samenvoegbepaling in artikel 9.4 URLB 2011 per 1 januari 2027, zoals opgenomen in de conceptregeling, omdat deze een discriminerende werking voor werkende arbeidsongeschikten in stand laat, zij het op andere gronden. Tevens, en hieraan voorafgaand, wordt betwist dat de Staatssecretaris beschikt over het mandaat om deze wijziging door te voeren.
2. ONTBREKEND WETTELIJK MANDAAT
2.1. Bevoegdheidsvraag als voorafgaand toetsingskader
De staatssecretaris beoogt de samenvoegbepaling per 1 januari 2027 te laten vervallen, met als gevolg dat ruim 11.000 werkende arbeidsongeschikten een deel van hun arbeidskorting verliezen. Aan deze voorgenomen wijziging gaat echter een fundamentele bevoegdheidsvraag vooraf. Indien de wettelijke grondslag voor de samenvoegbepaling ontbreekt of ontoereikend is, ontbreekt eveneens de bevoegdheid om deze bepaling te wijzigen of in te trekken.
In dit verband is een fundamentele staatsrechtelijke constatering op haar plaats. Blijkens vragen van de Kennisgroep en de wettelijke systematiek van de Wet inkomstenbelasting 2001 beschikt de staatssecretaris van Financiën niet over een zelfstandig mandaat om te bepalen aan wie de arbeidskorting wel of niet toekomt.
2.2. Beperkte delegatie in de Wet op de loonbelasting 1964
De artikelen 25, 26 en 27b Wet LB 1964 bieden uitsluitend een grondslag voor het vaststellen van de loonbelastingtabellen, dat wil zeggen de daarin op te nemen percentages, bedragen en overige rekenkundige elementen. Uit deze bepalingen volgt niet dat de staatssecretaris bevoegd is om bij ministeriële regeling te bepalen op welke inkomensbestanddelen of categorieën belastingplichtigen deze tabellen en de daarin verwerkte heffingskortingen van toepassing zijn. De delegatie strekt derhalve niet tot het vaststellen van materiële normen die de reikwijdte van het recht op arbeidskorting bepalen.
2.3. Overschrijding van de regelgevende bevoegdheid
In de Uitvoeringsregeling is evenwel niet alleen uitvoering gegeven aan de technische vormgeving van de tabellen, maar is tevens inhoudelijk bepaald in welke gevallen loonbestanddelen door middel van de samenvoegbepaling als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking worden aangemerkt. Daarmee wordt feitelijk bepaald wie voor arbeidskorting in aanmerking komt. Dit betreft geen louter technische uitwerking, maar een normstelling van materiële aard. Voor een dergelijke normstelling ontbreekt een expliciete wettelijke delegatiegrondslag.
2.4. Gevolgen voor de rechtsgeldigheid van de intrekking
Indien de samenvoegbepaling vanaf het begin buiten de gedelegeerde bevoegdheid is vastgesteld, kan zij niet rechtsgeldig worden ingetrokken op basis van diezelfde ontoereikende bevoegdheid. De staatssecretaris kan immers geen gebruik maken van een bevoegdheid die hem niet is verleend. De voorgenomen intrekking ontbeert in dat geval een toereikende wettelijke basis en is reeds om die reden juridisch kwetsbaar.
Het rechtsstatelijke gevolg van een dergelijke onbevoegd vastgestelde regeling is bovendien niet dat de regeling door de uitvoerende macht wordt ingetrokken, maar dat de formele wetgever de regeling, voor zover noodzakelijk, repareert door middel van een deugdelijke wettelijke grondslag, zo nodig met terugwerkende kracht. Dit voorkomt dat een bevoegdheidsgebrek wordt aangewend als rechtvaardiging voor het ontnemen van rechten aan betrokkenen. De staatssecretaris kan het ontbreken van een wettelijke grondslag derhalve niet gebruiken als argument vóór intrekking van de samenvoegbepaling.
2.5. Rechtsstatelijke implicaties
De vraag aan welke categorieën belastingplichtigen de arbeidskorting toekomt, betreft een materieelrechtelijke keuze die uitsluitend door de formele wetgever mag worden gemaakt. De staatssecretaris beschikt niet over een zelfstandig mandaat om de kring van gerechtigden uit te breiden of te beperken. Indien de voorgenomen wijziging ertoe strekt dat arbeidsongeschikten die via de werkgever hun uitkering ontvangen met ingang van 2027 geen arbeidskorting meer over het uitkeringsdeel ontvangen, dan vereist dat een uitdrukkelijke, deugdelijke en democratisch gelegitimeerde wettelijke grondslag. Het is aan het parlement om een dergelijke ingrijpende wijziging in de rechtspositie van burgers te beoordelen, te motiveren en af te wegen. De afschaffing van de samenvoegbepaling roept daarom niet alleen vragen op over de inhoudelijke rechtvaardigheid van de regeling, maar ook over de constitutionele grenzen van de regelgevende bevoegdheid van de uitvoerende macht.
2.6. Relevantie voor de rechtspositie van betrokkenen
Dit gebrek is niet louter formeel, maar heeft directe en ingrijpende gevolgen voor de rechtspositie van circa 11.000 werkende arbeidsongeschikten. Zij verliezen door de intrekking een substantieel deel van hun arbeidskorting, terwijl die intrekking mogelijk berust op een onbevoegde uitoefening van regelgevende bevoegdheid, hetgeen kan leiden tot een stortvloed aan bezwaar- en beroepsprocedures. Dit versterkt de noodzaak van een strikte toetsing aan het legaliteitsbeginsel en aan de grenzen van delegatie.
3. DISCRIMINATOIR KARAKTER VAN DE REGELING
3.1. EU-rechtelijke dimensie van de arbeidskorting
In de conceptregeling inzake de afschaffing van de samenvoegbepaling wordt gesteld dat geen EU-rechtelijke aspecten aan de orde zijn. Dat standpunt is rechtens onhoudbaar. Van een zuiver nationaal-fiscale aangelegenheid is hier geen sprake, nu de arbeidskorting rechtstreeks raakt aan de beloning van werkenden en daarmee aan de arbeidsverhouding. Dit geldt in het bijzonder voor arbeidsongeschikten, die wegens hun handicap of beperking niet, althans niet volledig, aan het arbeidsproces kunnen deelnemen. Reeds daarom kan de voorgenomen regeling niet worden onttrokken aan toetsing aan het EU-recht en aan de op Nederland rustende internationale discriminatieverboden.
Het gemaakte onderscheid tussen arbeidsgeschikte en arbeidsongeschikte werkenden, vormgegeven via de bron van inkomen, raakt niet alleen aan internationale verdragsnormen, maar ook aan het Unierecht. Daarbij is niet doorslaggevend dat een deel van het inkomen fiscaal wordt gekwalificeerd als inkomen uit vroegere arbeid in plaats van uit tegenwoordige arbeid. Beslissend is dat het daaruit voortvloeiende nadeel rechtstreeks samenhangt met de aanwezigheid van een handicap. De enkele fiscale kwalificatie van een inkomensbestanddeel kan dan ook niet afdoen aan het discriminatoire karakter van de regeling, noch kan dat karakter worden gerechtvaardigd met een beroep op de ruime beoordelingsmarge van de wetgever.
3.2. De groep die wordt getroffen
De aanpassing van de samenvoegbepaling treft specifiek circa 11.000 arbeidsongeschikte werknemers die naast loon uit tegenwoordige arbeid een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen die door tussenkomst van de werkgever wordt uitbetaald. Tot 1 januari 2027 wordt die uitkering op grond van de samenvoegbepaling aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, waardoor de arbeidskorting ook over het uitkeringsdeel wordt berekend. Na de voorgenomen wijziging vervalt dit voordeel. De conceptregeling erkent zelf dat de aanpassing over het algemeen een nadelig financieel effect heeft op bepaalde uitkeringsgerechtigden. Feitelijk kan dit nadeel bij de arbeidskorting oplopen tot maximaal € 5.685 netto per jaar en, indien tevens aanspraak bestaat op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK), tot € 3.032 netto aanvullend, derhalve in totaal € 8.717, gebaseerd op de maximale bedragen conform artikel 8.11 en 8.14a Wet IB 2001. Overigens is ondergetekende van mening dat de regeling van de arbeidskorting, in het bijzonder de voorwaarde dat sprake moet zijn van inkomen uit tegenwoordige arbeid, institutioneel discriminerend is ten opzichte van alle arbeidsongeschikten.
3.3. Ongerechtvaardigd onderscheid bij gelijk bruto-inkomen
Na de voorgenomen aanpassing ontstaat het volgende onderscheid. Twee belastingplichtigen ontvangen hetzelfde totale bruto-inkomen. De één ontvangt dat volledig als loon uit tegenwoordige arbeid en heeft recht op de volledige arbeidskorting. De ander ontvangt een deel als loon en een deel als arbeidsongeschiktheidsuitkering, en heeft na de voorgenomen wijziging slechts recht op arbeidskorting over het loondeel. Het verschil in netto-inkomen bij een gelijk bruto-inkomen is uitsluitend het gevolg van de arbeidsongeschiktheid van de tweede belastingplichtige. Daarvoor bestaat geen objectieve en redelijke rechtvaardiging.
3.4. Voortduring van structurele discriminatie
Hoewel de aanpassing beoogt de door de Hoge Raad geconstateerde discriminatie op te heffen (HR 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1657), bestendigt de gekozen oplossing in werkelijkheid de structurele discriminatie van arbeidsongeschikten die naast hun uitkering arbeid verrichten. De regeling lost het vastgestelde probleem immers op door de bevoordeelde groep het voordeel te ontnemen, in plaats van de benadeelde groep dat voordeel toe te kennen. Daarmee wordt de materiële ongelijkheid tussen werkende arbeidsongeschikten en werknemers zonder arbeidsongeschiktheid, die beiden als belastingplichtigen zijn te kwalificeren, niet opgeheven, maar juist door het wegvallen van de toevallige compenserende werking van de samenvoegbepaling structureel in stand gelaten. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 15 november 2024 juist vastgesteld dat sprake is van verboden ongelijke behandeling bij de arbeidskorting van WGA-uitkeringen naar gelang de uitkering door het UWV dan wel door tussenkomst van de werkgever wordt betaald.
Daarbij komt dat ook naar nationaal recht een uitsluitend toekomstgerichte oplossing tekortschiet. Uit de box 3-rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat, indien een belastingregeling in strijd komt met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM in samenhang met artikel 14 EVRM, daadwerkelijk rechtsherstel moet worden geboden en niet kan worden volstaan met een louter prospectieve wetswijziging (HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:718). Deze lijn is nadien bevestigd, waarbij is geoordeeld dat ook geboden rechtsherstel daadwerkelijk en effectief moet zijn en niet slechts formeel (HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:857). Die rechtspraak is hier rechtstreeks relevant.
Indien de Hoge Raad een discriminatoire fiscale behandeling heeft vastgesteld, kan de wetgever niet volstaan met het voor de toekomst beëindigen van één verschijningsvorm van die ongelijke behandeling, terwijl het reeds ontstane nadeel en de onderliggende structurele ongelijkheid in stand blijven. Ook om die reden voldoet de voorgenomen wijziging niet aan de eisen van effectief en daadwerkelijk rechtsherstel.
3.5. Schending van internationale discriminatieverboden
De voorgenomen regeling is in strijd met internationale discriminatieverboden die voor Nederland verbindend zijn. Het gaat daarbij onder meer om artikel 26 IVBPR, artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol, artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, de artikelen 5, 27 en 28 van het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en de artikelen 20, 21 en 26 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
In het bijzonder is artikel 27 CRPD van zelfstandig belang. Deze bepaling verplicht Nederland om het recht van personen met een handicap op arbeid en werkgelegenheid zonder discriminatie te waarborgen en arbeidsdeelname juist te bevorderen, niet financieel te ontmoedigen. Een regeling die ertoe leidt dat werkende arbeidsongeschikten, enkel vanwege hun handicapgerelateerde inkomensstructuur, minder arbeidskorting ontvangen dan andere werkenden met een gelijk bruto-inkomen, is daarmee onverenigbaar. Anders dan artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR, die primair een algemeen discriminatieverbod formuleren, bevat artikel 27 CRPD bovendien een specifieke verplichting om daadwerkelijke gelijkheid op de arbeidsmarkt voor personen met een handicap te realiseren.
3.6. Geen objectieve rechtvaardiging voor indirect onderscheid
De wijziging van de samenvoegbepaling raakt bovendien aan het toepassingsbereik van Richtlijn 2000/78/EG, nu het onthouden van arbeidskorting aan werkende arbeidsongeschikten neerkomt op indirect onderscheid op grond van handicap. Een ogenschijnlijk neutraal criterium, hier het onderscheid naar de bron van inkomen of de fiscale kwalificatie daarvan, is verboden indien het personen met een handicap in het bijzonder benadeelt, tenzij dat onderscheid objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Deze maatstaf volgt uit artikel 2, tweede lid, onder b, van Richtlijn 2000/78/EG en is bevestigd in de rechtspraak van het Hof van Justitie, onder meer in de zaak Ruiz Conejero, C-270/16, punten 45 tot en met 57, waarin het Hof benadrukt dat maatregelen die personen met een handicap disproportioneel treffen slechts toelaatbaar zijn na een strikte rechtvaardigingstoets, en dat een beroep op algemene of technische overwegingen daarvoor onvoldoende is. Van een dergelijke objectieve rechtvaardiging is hier geen sprake. Voor zover de regeling beoogt de door de Hoge Raad vastgestelde ongelijke behandeling op te heffen door het bestaande voordeel voor de thans bevoordeelde groep te schrappen, dient zij geen legitiem doel van materiële gelijke behandeling. De regeling leidt slechts tot neerwaartse gelijkstelling. Daarmee wordt de structurele achterstelling van werkende arbeidsongeschikten niet opgeheven, maar juist bestendigd. Ook aan de eis van proportionaliteit is niet voldaan. De maatregel is niet passend, omdat hij het vastgestelde discriminatieprobleem niet oplost door de benadeelde groep in een gelijke positie te brengen, maar door het voordeel aan een andere groep te ontnemen. De maatregel is evenmin noodzakelijk, omdat een minder bezwarend en meer met het gelijkheidsbeginsel strokend alternatief voorhanden is, namelijk herstel door de formele wetgever op een wijze die de benadeelde groep daadwerkelijk gelijke behandeling biedt. De toets aan Richtlijn 2000/78/EG leidt daarom tot de slotsom dat het indirecte onderscheid niet objectief kan worden gerechtvaardigd. Waar nationale regelgeving binnen de werkingssfeer van het EU-recht valt, is tevens het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van toepassing op grond van artikel 51. Dit brengt mee dat onder meer de artikelen 20, 21 en 26 van het Handvest in acht moeten worden genomen. Daarbij komt dat de arbeidskorting, ondanks haar fiscale vormgeving, materieel een arbeidsgerelateerd voordeel is dat de netto-opbrengst van arbeid rechtstreeks bepaalt, zodat zij evenmin buiten het Unierechtelijke begrip beloning valt.
3.7. Indirecte discriminatie
Het onderscheid berust op de bron van inkomen: tegenwoordige versus vroegere arbeid. Indien de wetgever zou stellen dat dit een neutrale fiscale categorie is die ook Bijstands-, AOW- en WW-gerechtigden omvat en dat uitsluitend onderscheid wordt gemaakt tussen werkenden en niet-werkenden en daarom geen discriminatie oplevert, faalt dat verweer om de volgende redenen.
Ten eerste vereist indirecte discriminatie niet dat uitsluitend de beschermde groep wordt getroffen, maar dat zij disproportioneel wordt benadeeld. Arbeidsongeschikten onderscheiden zich van Bijstands-, AOW- en WW-gerechtigden doordat hun beperkte arbeidsdeelname niet het gevolg is van een vrije keuze maar van een medische oorzaak op grond waarvan het UWV heeft vastgesteld dat zij niet of niet volledig kunnen werken. AOW-gerechtigden hebben bewust de arbeidsmarkt verlaten; WW-gerechtigden zijn tijdelijk werkloos maar volledig beschikbaar evenals een groot deel van de Bijstandsgerechtigden. De werkende arbeidsongeschikte heeft juist wél de stap naar de arbeidsmarkt gezet, zij het binnen de grenzen van zijn door het UWV medisch vastgestelde resterende arbeidscapaciteit. Hem de arbeidskorting gedeeltelijk te onthouden omdat een deel van zijn inkomen de vorm heeft van een uitkering, straft juist degene die ondanks zijn beperking werkt, en druist daarmee volledig in tegen het door de wetgever zelf geformuleerde doel van de arbeidskorting om arbeidsparticipatie te stimuleren.
Ten tweede is de ontzegging van de arbeidskorting voor werkende arbeidsongeschikten in het bijzonder onevenredig. Het doel van de arbeidskorting is arbeid aantrekkelijker te maken en arbeidsparticipatie te bevorderen. Bij werkende arbeidsongeschikten is dat doel reeds bereikt: zij werken. Hen de arbeidskorting over het uitkeringsdeel te onthouden terwijl een collega zonder arbeidsongeschiktheid bij gelijk bruto-inkomen de volledige arbeidskorting ontvangt, is een onderscheid dat uitsluitend berust op de aanwezigheid van arbeidsongeschiktheid. Daarvoor bestaat geen objectieve en redelijke rechtvaardiging.
Ten derde miskent het verweer dat de bruto-inkomens niet vergelijkbaar zijn omdat een deel bestaat uit een uitkering, dat het onderscheid in inkomensbron rechtstreeks voortvloeit uit de arbeidsongeschiktheid van betrokkene. De fiscale kwalificatie van dat inkomensdeel als “vroegere arbeid” is een technische classificatie die het discriminatoire effect niet wegneemt. Doorslaggevend is dat het netto-inkomensnadeel bij gelijk bruto-inkomen uitsluitend berust op de aanwezigheid van arbeidsongeschiktheid als persoonlijk en beschermd kenmerk.
4. GEEN EFFECTIEF RECHTSHERSTEL
4.1. Ontbreken van daadwerkelijk en effectief rechtsherstel
Uit de beschikbare informatie blijkt dat de wetgever geen maatregelen treft tot daadwerkelijk en effectief rechtsherstel naar aanleiding van de door de Hoge Raad op 15 november 2024 vastgestelde discriminatie van arbeidsongeschikten die hun uitkering via het UWV ontvangen, en ook niet voornemens is daarin te voorzien.
4.2. Toekomstgerichte wetswijziging is onvoldoende
Een uitsluitend toekomstgerichte wetswijziging voldoet niet aan de eis van effectief rechtsherstel. Uit artikel 13 EVRM, artikel 2, derde lid, IVBPR en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie volgt dat een vastgestelde schending niet alleen voor de toekomst moet worden beëindigd, maar tevens aanleiding moet geven tot daadwerkelijk herstel van reeds geleden nadeel. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in Kudła t. Polen (GK, 26 oktober 2000, nr. 30210/96, § 157) bevestigd dat artikel 13 EVRM een effectief rechtsmiddel vereist dat de betrokkene in staat stelt zijn klacht inhoudelijk te doen beoordelen en adequate redress te verkrijgen voor de geleden schade. Dit vereiste van adequate redress omvat, blijkens Scordino t. Italië (GK, 29 maart 2006, nr. 36813/97, § 186-187), in beginsel compensatie voor het financiële nadeel dat uit de schending is voortgevloeid.
4.3. Herstel situatie zonder rechtsschending als uitgangspunt
Het uitgangspunt dat de situatie zoveel mogelijk moet worden hersteld zoals die zonder de schending zou hebben bestaan, brengt mee dat het rechtsherstel daadwerkelijk en volledig moet zijn. Het EHRM heeft dit uitgangspunt herhaaldelijk gehanteerd, onder meer in Papamichalopoulos e.a. t. Griekenland (art. 50, 31 oktober 1995, § 34-36). Een regeling die uitsluitend toekomstgericht werkt en de gedurende vele jaren geleden inkomensschade ongecompenseerd laat, beantwoordt niet aan dit vereiste.
4.4. Toekomstige wetgeving is geen substituut voor herstel
Evenmin volstaat de enkele aankondiging van toekomstige wetgeving als substituut voor daadwerkelijk rechtsherstel. Het EHRM heeft in Broniowski t. Polen (GK, 22 juni 2004, nr. 31443/96, § 187-189) en Xenides-Arestis t. Turkije (22 december 2005, nr. 46347/99, § 40) geoordeeld dat een structurele schending de staat verplicht tot het treffen van een effectief binnenlands rechtsmiddel dat de betrokkenen daadwerkelijk, en niet slechts in prospectief perspectief, soelaas biedt. Een wetgevingsvoornemen zonder terugwerkende kracht en zonder compensatiemechanisme voor reeds geleden nadeel voldoet niet aan die maatstaf.
4.5. Verplichting tot herstel onder het IVBPR
Op het niveau van het IVBPR volgt hetzelfde uit de door het VN-Mensenrechtencomité in General Comment nr. 31 (CCPR/C/21/Rev.1/Add.13, 29 mei 2004, § 16) geformuleerde verplichting: staten zijn gehouden tot herstel (reparation), dat restitutie, rehabilitatie en genoegdoening omvat. Een uitsluitend toekomstgerichte maatregel voorziet niet in de reparatie van reeds geleden nadeel en voldoet derhalve niet aan de vereisten van artikel 2, derde lid, IVBPR.
4.6. Verplichting tot herstel onder het Unierecht
Op het niveau van het Unierecht volgt de verplichting tot daadwerkelijk en effectief rechtsherstel voorts uit de staatsaansprakelijkheidsleer zoals neergelegd in Francovich e.a. (HvJ 19 november 1991, C-6/90 en C-9/90) en nader uitgewerkt in Brasserie du Pêcheur (HvJ 5 maart 1996, C-46/93 en C-48/93, § 82-83). In die rechtspraak heeft het Hof van Justitie bevestigd dat een voldoende gekwalificeerde schending van Unierechtelijke normen, waaronder het discriminatieverbod van Richtlijn 2000/78/EG en het Handvest, een recht op schadevergoeding kan doen ontstaan. Het effectiviteitsbeginsel verzet zich er daarbij tegen dat de nationale rechtsorde het effectieve genot van dit recht structureel onmogelijk maakt of buitengewoon bezwaarlijk maakt. Aan deze voorwaarden is in de onderhavige situatie voldaan: de schending van Richtlijn 2000/78/EG en het Handvest is door de Hoge Raad vastgesteld, het causale verband met het inkomensnadeel is rechtstreeks en kwantificeerbaar, en de schade bestaat uit het over meerdere jaren misgelopen netto bedrag aan arbeidskorting.
4.7. Ontbreken van effectieve sanctie op discriminatoir overheidshandelen
Een toekomstig wetgevingsvoornemen kan daarom niet in de plaats treden van daadwerkelijk rechtsherstel. Indien de regeling geen terugwerkende kracht heeft en evenmin op andere wijze in compensatie voorziet, blijven gedupeerden verstoken van herstel voor de schade die zij reeds hebben geleden. Indien aan een door de staat gepleegde discriminatie geen daadwerkelijk rechtsgevolg wordt verbonden, zou dat er in de praktijk op neerkomen dat op discriminatoir overheidshandelen geen effectieve sanctie staat. Dat maakt discriminatie door de staat feitelijk goedkoop en is onverenigbaar met het vereiste van effectieve rechtsbescherming zoals verankerd in artikel 13 EVRM, artikel 2, derde lid, IVBPR, artikel 47 van het Handvest en de staatsaansprakelijkheidsleer van het Hof van Justitie.
5. GEEN OVERGANGSREGELING
Indien de wijziging onverkort wordt doorgezet, wordt erop gewezen dat niet is voorzien in een overgangsregeling, terwijl het hier een kwetsbare groep van arbeidsongeschikten met een handicap of ziekte betreft. Gelet op de beperkte budgettaire opbrengst van circa € 32 miljoen valt niet in te zien waarom de getroffen groep niet kan worden gecompenseerd.
Ten overvloede wordt opgemerkt dat de in antwoorden op vragen van de Tweede Kamer gesuggereerde oplossingen via de Participatiewet of het toeslagenstelsel evident ontoereikend zijn en niet kunnen gelden als passend of effectief rechtsherstel. Deze regelingen zijn immers inkomensafhankelijk en worden gebaseerd op het bruto verzamelinkomen van betrokkene. Nu dat inkomen door de voorgenomen wijziging niet daalt, bieden noch de Participatiewet noch de toeslagen een reële mogelijkheid om het door het verlies aan arbeidskorting veroorzaakte nadeel te compenseren. Reeds daarom kunnen deze voorzieningen niet worden aangemerkt als een volwaardig alternatief voor herstel van het discriminatoire effect van de regeling.
Voorts is van belang dat nog geen aanvang is gemaakt met het tijdig en adequaat informeren van de getroffen groep van circa 11.000 arbeidsongeschikten. Dat is niet alleen onzorgvuldig in de zin van artikel 3:2 Awb, maar raakt ook aan de bescherming van het privéleven, voor zover daaronder mede de persoonlijke en financiële autonomie van betrokkenen moet worden begrepen. Bij een voorgenomen maatregel met ingrijpende gevolgen voor het besteedbaar inkomen van een kwetsbare en duidelijk identificeerbare groep rust op de overheid een positieve verplichting om de betrokkenen tijdig, duidelijk en volledig te informeren. Zonder dergelijke informatie ontbreekt voor hen iedere reële mogelijkheid om hun leven en financiële verplichtingen op de wijziging af te stemmen.
6. CONCLUSIE EN VERZOEK
De voorgenomen afschaffing van de samenvoegbepaling kan in haar huidige vorm niet in stand blijven. Zij beëindigt de door de Hoge Raad vastgestelde discriminatie niet daadwerkelijk, maar verplaatst deze door werkende arbeidsongeschikten structureel te benadelen ten opzichte van werknemers zonder arbeidsongeschiktheid met een gelijk bruto-inkomen. Daarmee wordt de ongelijkheid niet opgeheven, maar bestendigd.
Daarbij komt dat voor de voorgenomen wijziging een toereikende wettelijke grondslag ontbreekt, nu de staatssecretaris niet bevoegd is de materiële reikwijdte van de arbeidskorting te bepalen of te beperken. Voorts is sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid dat op gespannen voet staat met nationale, internationale en Unierechtelijke discriminatieverboden. Evenmin wordt voorzien in effectief rechtsherstel voor het verleden, terwijl de maatregel ingrijpende financiële gevolgen heeft voor circa 11.000 werkende arbeidsongeschikten, zonder overgangsregeling.
Gelet op het voorgaande wordt verzocht de conceptregeling in haar huidige vorm niet vast te stellen. Primair wordt verzocht de discriminerende voorwaarde voor toepassing van de arbeidskorting, inhoudende dat sprake moet zijn van inkomen uit tegenwoordige arbeid, buiten toepassing te laten ten aanzien van personen die door het UWV als arbeidsongeschikt zijn aangemerkt. Dit betreft geen gunst of beleidsmatige keuze, maar een juridische verplichting die rechtstreeks voortvloeit uit artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol. Slechts op die wijze kan worden gewaarborgd dat arbeidsongeschikten niet opnieuw of voortgaand worden geconfronteerd met een ongerechtvaardigde achteruitgang in hun netto-inkomen. Indien de wetgever meent dat dit niet binnen het bestaande kader kan worden gerealiseerd, dient te worden voorzien in een gelijkwaardige vervangende regeling die het discriminatoire nadeel volledig en effectief opheft.
Subsidiair wordt verzocht de vaststelling van de regeling aan te houden totdat is voorzien in een deugdelijke wettelijke grondslag, een niet-discriminerende uitwerking en daadwerkelijk en effectief rechtsherstel.
Hoogachtend,
N.J. van Dijk
Juridisch adviseur bij Onterecht.nu
Deze reactie is ingediend in het kader van de internetconsultatie over de Conceptregeling wijziging Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 en Regeling loonbelasting- en premietabellen 1990.